In juni 1684 kwam de zoon van de Essense Vorser (politieagent), om het leven bij een gevecht in Zandvliet. Hij had er ambras met de molenaar en die had Goovaert Buysen gedood met een mes. Daarop was de molenaar gevlucht en sindsdien was hij spoorloos. In een wereld zonder identiteitsbewijzen kon dat natuurlijk.
Dus moest de vrouw van de molenaar samen met haar schoonbroer voor
de schepenen van Essen komen.
Nooit zou de molenaar in Essen zich mogen
vertonen. En nooit zou hij in een kroeg of gelegenheid mogen komen waar er zich
familie van het slachtoffer bevond. Bovendien moest de vrouw van de molenaar de
doktersrekeningen, de begrafenis, het verteer achteraf en 150 gulden betalen.
En dan nog eens 15 gulden per jaar om een misdienst voor de dode op te dragen.
En tenslotte moest de vrouw ook nog eens zelf in Zandvliet jaarlijks een mis
opdragen ter ere van de dode. Zonder excuses, zo zeiden de schepenen: zwak ziek
of misselijk was geen reden om het niet te doen.
De Schepenen van Essen zouden
hun collega’s in Zandvliet vragen om erop toe te zien. In ruil zou dan de
familie van de dode, die ook verzameld was bij de schepenen, afzien van enige
wraakacties en de familie van de molenaar vergeven.
Bron: MEEUSEN, G., Uit vroegere
gerechtspraktijken. Zoengeval in 1684. Spycker 1950, blz 121 - 123